De collectie van het Vitra Design Museum is na een bescheiden begin in de jaren '80 uitgegroeid tot een van de meest belangrijke internationale collecties op het gebied van hedendaags meubelontwerp. In 1989 omvatte de collectie ongeveer 1000 objecten; sindsdien is deze uitgebreid tot ongeveer 6000 objecten. Twee meubelcollecties, waarvan de ene vanaf het begin van de jaren '80 door Rolf Fehlbaum voor Vitra is bijeengebracht en de andere door mij aan het eind van de jaren '60 is begonnen – vormen de grondslag voor de collectie van het Vitra Design Museum.
Mijn eigen collectie ontstond uit belangstelling voor de eerste industrieel geproduceerde meubels, de stoelen van gebogen hout van Michael Thonet. Daarbij interesseerden mij niet alleen de vele varianten van de even functionele als decoratieve ontwerpen, maar vooral Thonets visie op een industriële massaproductie, die hij door innovatie op het gebied van techniek, vormgeving en marketing wist te realiseren. De collectie documenteerde ontwikkeling van de technieken, materialen en vormen van moderne meubels vanaf het begin van de 19de eeuw tot het midden van de 20ste eeuw. Het zwaartepunt van de collectie lag op de meubels van in lagen verlijmd en gebogen hout van Michael Thonet via Adolf Loos, Josef Hoffmann en Alvar Aalto tot Charles en Ray Eames alsmede de stalen buismeubels van Mart Stam, Marcel Breuer, Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier. Daarnaast omvatte de collectie echter zowel meubels van papier-maché, bakeliet of fiberglas – materialen die ook een grondslag voor massaproductie boden – als nadere documentatie in de vorm van foto's van arbeidsprocessen, verkoopcatalogi, publicaties over historische tentoonstellingen en de bijhorende vakliteratuur. De collectie van Rolf Fehlbaum omvatte naast belangrijke ontwerpen van Charles en Ray Eames en George Nelson – steunpilaren van de Vitra-meubelproductie – ook werk van Europese ontwerpers zoals Alvar Aalto, Jean Prouvé of Gerrit Rietveld. Een deel van deze collectie van zo'n 150 stukken was ook op platformen in een grote kantoorruimte van Vitra tentoongesteld, waar ze als historisch voorbeeld en inspiratiebron voor de medewerkers en klanten van Vitra dienden.
Onze samenwerking begon in 1987. Nadat Rolf Fehlbaum in 1988 een deel van mijn collectie had aangekocht, gaf hij mij opdracht deze systematisch uit te breiden. Om de collectie een plaats te geven waar deze zou kunnen worden geëxposeerd, had Fehlbaum in 1986 de architect Frank Gehry verzocht een klein museumgebouw te ontwerpen. Dit gebouw – oorspronkelijk bedoeld om de verzamelde objecten aan vrienden, klanten en zakelijke partners te laten zien – is het huidige Vitra Design Museum en tevens Gehry’s eerste project op Europese bodem. Mijn eigen uitgangspunten hebben het idee van de presentatie van de collectie verbreed rond het concept van een museum dat onafhankelijk van Vitra en voor het publiek toegankelijk is en zelf tentoonstellingen van de collectie en wisselende exposities organiseert. Als oprichtingsdirecteur heb ik in 1989 het Vitra Design Museum geopend, dat zich sindsdien heeft ontwikkeld tot een belangrijke internationale instelling met een veelzijdig maar karakteristiek profiel.
Tijdens onze inmiddels 20- jarige samenwerking zijn Rolf Fehlbaum en ik samen met onze medewerker Serge Mauduit erin geslaagd de meest overtuigende industrieel geproduceerde meubels op te sporen en via afzonderlijke aankopen en veilingen of als complete nalatenschappen te verwerven. De veruit belangrijkste acquisitie was aankoop van het complete driedimensionale erfgoed van Charles en Ray Eames in 1988. Naast de in productie genomen ontwerpen bestaat hun erfgoed ook uit voorstudies en prototypes, hetgeen voor de documentatie en het onderzoek van het scheppingsproces van het echtpaar Eames van onschatbare waarde is. Dit erfgoed is beslist het pronkstuk van deze collectie en dat het zijn weg van Venice in Californië naar Weil am Rhein heeft gevonden is een verbluffende prestatie.
Tot de andere belangrijke nalatenschappen in de collectie behoren meubels, schetsen, manuscripten en foto’s uit het bureau van George Nelson, de patenten en correspondentie van Anton Lorenz – de ‘eminence gris’ van de internationale stalenmeubelindustrie – evenals de materiaalverzamelingen en documenten van Alexander Girard, die onder meer textiel- en papiermonsters uit de hele wereld heeft bijeengebracht en in de jaren ’50 de stoot heeft gegeven tot een invloedrijke dialoog tussen design en volkskunst. Ook het oeuvre van Harry Bertoia, Verner Panton en Eero Saarinen is met omvangrijke hoeveelheden materiaal in de collectie van het museum vertegenwoordigd; tot de nalatenschap van Panton behoren monsters van zijn vele tijdtypische textielontwerpen.
Als men de gehele collectie overziet, vallen de volgende zwaartepunten te onderscheiden: vanaf het midden van de 19de eeuw tot 1900 zijn het meubels van gebogen hout, ontwerpen van Weense architecten alsook werk van Charles Rennie Mackintosh en Frank Lloyd Wright. Uit de eerste dertig jaar van de 20ste eeuw springt vooral het werk van Gerrit Rietveld, Marcel Breuer, Ludwig Mies van der Rohe en Bauhaus alsook dat van Le Corbusier, Charlotte Perriand en Pierre Jeanneret. Naast de uitgebreide verzamelingen van het werk van Charles en Ray Eames, Eero Saarinen en Harry Bertoia uit de VS wordt de periode tot de Tweede Wereldoorlog gedomineerd door de Franse ontwerper Jean Prouvé, wiens werk niet alleen met zijn belangrijkste meubels maar ook met een groot aantal van gevelelementen voortreffelijk is gedocumenteerd. Uit Scandinavië komen vooral ontwerpen van Alvar Aalto, Arne Jacobsen, Hans Wegner, Poul Kjaerholm en Verner Panton en uit Italië die van Gio Ponti, Carlo Mollino, Achille Castiglioni en van Studio Memphis en Studio Alchimia. Ook meubels uit de Arts and Crafts-beweging, Art Deco en Jugendstil zijn vertegenwoordigd, al is het maar met weinig exemplaren. Als men constateert dat de hierop volgende ontwikkelingen alleen op grond van de ideologische en stilistische impulsen van deze periode kunnen worden verklaard, zouden hier vermoedelijk nog het gemakkelijkst aanvullingen op de collectie mogelijk zijn.
De collectie bestrijkt bijna het gehele scala meubels voor dagelijks gebruik: van zitmeubels voor particuliere woningen, kindermeubilair en inrichtingen voor gemeenschappelijke woon- en leefruimten en kantoren tot moderne nomadische woonvormen. Voor de periode vanaf de jaren ’60 bestaan bovendien talrijke voorbeelden van meubels die de kunst uit die tijd weerspiegelen en daarna, vanaf de jaren '80, zien we een toename van de speciale designerontwerpen, die vaak als unieke exemplaren respectievelijk in beperkte oplaag worden geproduceerd. Eigenlijk omvat de collectie zeker niet uitsluitend industrieel meubilair, maar telt zij nogal wat modellen die als afzonderlijk exemplaar of in een geringe oplage zijn vervaardigd; ook deze meubels komt een plaats toe in het Vitra Design Museum, omdat zij qua vormgeving en constructie en in technologisch of functioneel opzicht belangrijk zijn voor de ontwikkelingen in het ontwerpen van industrieel meubilair.
Naast een kleine afdeling voor onderhoudselektronica – voornamelijk een verzameling Braun-apparaten – wordt onder leiding van Raymond Fehlbaum een collectie van industriële lampen opgebouwd, waardoor bij tentoonstellingen de designgeschiedenis van het wonen nog beter kan worden weergegeven. De criteria bij de keuze stemmen overeen met de criteria die ook bij meubels de doorslag geven. Het beslissende onderscheid ligt echter in de chronologische afbakening, want op het gebied van industrieel geproduceerde elektrische lampen begint de geschiedenis pas aan het einde van de 19de eeuw met Thomas Alva Edison. De collectie begint bij Peter Behrens en gaat door met de Bauhaus-ontwerpers Christian Dell, Marianne Brandt en Wilhelm Wagenfeld. Lampen van Scandinavische ontwerpers zoals Poul Henningsen of Verner Panton, die ook op dit gebied belangrijke ontwerpen heeft voortgebracht, zijn eveneens vertegenwoordigd naast talrijke Italiaanse lampen van bijvoorbeeld Gino Sarfatti of Angelo Lelli en creaties van Serge Mouille. Tot de belangrijke vertegenwoordigers van de afgelopen jaren behoort vooral Ingo Maurer met zijn poëtische lichtsculpturen.
Voor het werk van het museum zijn de bibliotheek en het archief een even belangrijke bron van informatie als de meubelcollectie zelf. Omvangrijke bestanden van de 250 belangrijkste tijdschriften en ongeveer 9500 boektitels over meubelontwerp, architectuur en verwante vakgebieden en een archief met bedrijfscatalogi, foto’s, films, schetsen en manuscripten vormen de basis voor onze wetenschappelijke arbeid.
Een collectie, waarvan het historisch kader zich tot in het heden uitstrekt, kan nooit volledig zijn, en hoe jonger een voorwerp is, des te moeilijker is het de historische betekenis ervan te beoordelen. Met het oog op de ware vloedgolf ontwerpen die ons de laatste twintig jaar overspoelen en als uniek exemplaar of wegens de zeer kleine oplage een enorme publiciteit krijgen, is bij het verzamelen van hedendaagse producten bijzondere voorzichtigheid geboden. Juist op dit netelige terrein zijn echter de kennis en het inzicht van Rolf Fehlbaum altijd van grote waarde geweest. Wat de leemtes in de collectie met betrekking tot de werkelijk historische decennia van de designgeschiedenis betreft, deze worden steeds kleiner, ook al kunnen een paar daarvan zeker niet meer worden gedicht – omdat de ontbrekende objecten alleen nog als zeldzame, vast in andere collecties verankerde exemplaren voorkomen of gewoonweg niet meer bestaan.
De collectie van het Vitra Design Museum geeft dus weliswaar een onvolledig beeld van de geschiedenis van het moderne meubelontwerpen, maar dit beeld is echter juist dankzij de bewuste beperking aanzienlijk duidelijker dan dat van vele grote publieke collecties.
Alexander von Vegesack
Alexander von Vegesack Leidt sinds 1989 het Vitra Design Museum. In het kader van deze functie ontwikkelde hij een voortdurend wisselend programma van wereldwijd rondreizende tentoonstellingen over design en architectuur, gaf hij talrijke publicaties uit, nam hij het initiatief voor een jaarlijkse internationale museumconferentie en een internationaal erkend seminarprogramma.














