Onze samenwerking begon in 1987. Nadat Rolf Fehlbaum in 1988 een deel van mijn collectie had aangekocht, gaf hij mij opdracht deze systematisch uit te breiden. Om de collectie een plaats te geven waar deze zou kunnen worden geëxposeerd, had Fehlbaum in 1986 de architect Frank Gehry verzocht een klein museumgebouw te ontwerpen. Dit gebouw – oorspronkelijk bedoeld om de verzamelde objecten aan vrienden, klanten en zakelijke partners te laten zien – is het huidige Vitra Design Museum en tevens Gehry’s eerste project op Europese bodem. Mijn eigen uitgangspunten hebben het idee van de presentatie van de collectie verbreed rond het concept van een museum dat onafhankelijk van Vitra en voor het publiek toegankelijk is en zelf tentoonstellingen van de collectie en wisselende exposities organiseert. Als oprichtingsdirecteur heb ik in 1989 het Vitra Design Museum geopend, dat zich sindsdien heeft ontwikkeld tot een belangrijke internationale instelling met een veelzijdig maar karakteristiek profiel.
Tijdens onze inmiddels 20- jarige samenwerking zijn Rolf Fehlbaum en ik samen met onze medewerker Serge Mauduit erin geslaagd de meest overtuigende industrieel geproduceerde meubels op te sporen en via afzonderlijke aankopen en veilingen of als complete nalatenschappen te verwerven. De veruit belangrijkste acquisitie was aankoop van het complete driedimensionale erfgoed van Charles en Ray Eames in 1988. Naast de in productie genomen ontwerpen bestaat hun erfgoed ook uit voorstudies en prototypes, hetgeen voor de documentatie en het onderzoek van het scheppingsproces van het echtpaar Eames van onschatbare waarde is. Dit erfgoed is beslist het pronkstuk van deze collectie en dat het zijn weg van Venice in Californië naar Weil am Rhein heeft gevonden is een verbluffende prestatie.
Tot de andere belangrijke nalatenschappen in de collectie behoren meubels, schetsen, manuscripten en foto’s uit het bureau van George Nelson, de patenten en correspondentie van Anton Lorenz – de ‘eminence gris’ van de internationale stalenmeubelindustrie – evenals de materiaalverzamelingen en documenten van Alexander Girard, die onder meer textiel- en papiermonsters uit de hele wereld heeft bijeengebracht en in de jaren ’50 de stoot heeft gegeven tot een invloedrijke dialoog tussen design en volkskunst. Ook het oeuvre van Harry Bertoia, Verner Panton en Eero Saarinen is met omvangrijke hoeveelheden materiaal in de collectie van het museum vertegenwoordigd; tot de nalatenschap van Panton behoren monsters van zijn vele tijdtypische textielontwerpen.
Als men de gehele collectie overziet, vallen de volgende zwaartepunten te onderscheiden: vanaf het midden van de 19de eeuw tot 1900 zijn het meubels van gebogen hout, ontwerpen van Weense architecten alsook werk van Charles Rennie Mackintosh en Frank Lloyd Wright. Uit de eerste dertig jaar van de 20ste eeuw springt vooral het werk van Gerrit Rietveld, Marcel Breuer, Ludwig Mies van der Rohe en Bauhaus alsook dat van Le Corbusier, Charlotte Perriand en Pierre Jeanneret. Naast de uitgebreide verzamelingen van het werk van Charles en Ray Eames, Eero Saarinen en Harry Bertoia uit de VS wordt de periode tot de Tweede Wereldoorlog gedomineerd door de Franse ontwerper Jean Prouvé, wiens werk niet alleen met zijn belangrijkste meubels maar ook met een groot aantal van gevelelementen voortreffelijk is gedocumenteerd. Uit Scandinavië komen vooral ontwerpen van Alvar Aalto, Arne Jacobsen, Hans Wegner, Poul Kjaerholm en Verner Panton en uit Italië die van Gio Ponti, Carlo Mollino, Achille Castiglioni en van Studio Memphis en Studio Alchimia. Ook meubels uit de Arts and Crafts-beweging, Art Deco en Jugendstil zijn vertegenwoordigd, al is het maar met weinig exemplaren. Als men constateert dat de hierop volgende ontwikkelingen alleen op grond van de ideologische en stilistische impulsen van deze periode kunnen worden verklaard, zouden hier vermoedelijk nog het gemakkelijkst aanvullingen op de collectie mogelijk zijn.

11 April 2008.