Stelt u zich eens voor dat Volkswagen een museum voor autodesign zou openen. Een museum, dat is gebaseerd op de verzamelde archieven van Henry Ford, Pierre Boulanger en Harley Earl en waarvan de collectie de belangrijkste modellen uit de ontwikkelingsgeschiedenis van de auto in de afgelopen honderd jaar in drie continenten zou omvatten en daarnaast een selectie van de beste voorbeelden op het gebied van intelligent motorontwerp die ooit zijn gerealiseerd. Of vraag u af hoe waarschijnlijk het is dat Chanel iets vergelijkbaars zou doen op het gebied van mode, zonder zich daarbij te beperken tot haar eigen collectie, of dat Boeing iets dergelijks zou opzetten op het gebied van luchtvaart. Dat geeft pas een idee van de prestatie die Rolf Fehlbaum als oprichter en Alexander von Vegesack als directeur van het Vitra Design Museum de afgelopen 20 jaar hebben geleverd. Natuurlijk zijn noch Volkswagen noch Chanel zoiets van plan, ondanks hun grote en veelzijdige culturele betrokkenheid. En zelfs als zij een dergelijke visie voor ogen zouden hebben, zou het wegens strijdige belangen en doelstellingen tot veel problemen leiden om dit te proberen.
Een minder zelfbewuste onderneming dan Vitra, of liever gezegd een bedrijf dat zich niet laat leiden door zo’n hoge mate aan nieuwsgierigheid als Vitra, zou zich teveel bezighouden met de vraag waarom ze zo veel tijd en energie zou steken in het behoud van een erfgoed dat men ook zou kunnen beschouwen als economische concurrentie. Aangespoord door Fehlbaums nieuwsgierigheid en het gevoel voor design, een nieuwsgierigheid en enthousiasme, die boven de producten van zijn eigen onderneming uitstijgt, heeft Vitra een van ‘werelds meest opmerkelijkste designcollecties van de 20e eeuw opgebouwd; een collectie, die totaal verschilt van een bedrijfsmuseum, maar veeleer een museum dat nieuwe perspectieven biedt en toont wat design wereldwijd kan betekenen. Inmiddels zijn er in de hele wereld talrijke designcollecties. Eén van de oudste is die van het Victoria & Albert Museum in Londen, dat het plan voor een designcollectie al in 1850 heeft gerealiseerd. Het was daarbij niet zozeer de bedoeling om het publiek te vermaken, maar het te onderrichten en vooral wetenschappelijke vergelijkingsmateriaal beschikbaar te stellen dat naar de overtuiging van de Britse regering hun manufacturen in staat zou stellen betere producten te vervaardigen, die opgewassen zouden zijn tegen de import uit het buitenland. Er ontstond een golf aan vergelijkbare instituten, van het Museum für Angewandte Kunst (MAK) in Wenen tot de Neuen Sammlung in München. In de loop der tijd is het Victoria & Albert Museum natuurlijk ingrijpend veranderd. De gestage uitbreiding leidde tot uitholling van de oorspronkelijke doelstelling en veranderde het geheel in een museum voor decoratieve kunsten, waarin naast tabaksdozen en schetsen van Raphael zaal na zaal werd gevuld met schijnbaar willekeurig opgestapelde collecties van objecten die afkomstig waren uit het brede spectrum van schatten uit de Britse koloniën. Tegenwoordig is het een museum met een uitgebreid aanbod, maar dat heel duidelijk geen heldere voorstelling geeft van wat design de moderne producent te bieden heeft. In de jaren '20 volgde het Museum of Modern Art in New York, waar industrieel design wegens zijn esthetische betekenis voor de moderne kunst in de collectie werd opgenomen. De definitie van design was hier anders; het museum bleek echter even invloedrijk als destijds het Victoria & Albert Museum en bracht ook veel instellingen ertoe deze definitie over te nemen. De prijs die werd betaald voor het opnemen van design in het kunstmuseum, was echter dat het ook als kunst werd gepresenteerd; als een sculptuur van groot formaat in neutrale witte ruimtes zonder vermelding van de bijbehorende context of voorafgaande processen.

16 April 2008.